Begin
 
Sorry, no English version of this text
 

Verder kijken dan de vingers lang zijn

 
Specerijen: kaneel, foelie, nootmuskaat, peper, kruidnagel  

 
Tekst bij de uitnodiging voor de onthulling van het beeld van Anne-Marie van Sprang aan de Loskade in Middelburg, gemaakt in opdracht van de gemeente ter herinnering aan de betekenis van de VOC voor de stad Middelburg.
 

Auteur: kunstenaar, illustrator en emeritus hoogleraar Cor Blok (1934-2021)
 
 

Was hier honderd jaar eerder een beeld geplaatst als herinnering aan de VOC, dan had het er heel anders uitgezien. Een stenen Ooostindiëvaarder met bolle zeilen bijvoorbeeld, of een stoet bronzen vertegenwoordigers van verre volkeren die dankbaar hun bijdrage kwamen storten in de kas van Hollands Welvaren. Tegenwoordig weten we wat we destijds niet wilden of mochten weten: hoeveel mensenlevens dat welvaren zowel de verre volkeren heeft gekost als de Europese zeeslaven die de schepen van de VOC bemanden.

Het beeld, dat nu de plaats markeert waar de Oostindiëvaarders aan- en afmeerden, straalt geen trots uit op een ondernemend voorgeslacht. Alleen al dat er twee beelden staan duidt op andere tijden. Voor monoliethen hoort geen plaats te zijn in een wereld waarin machtsconcentraties niet meer als een natuurverschijnsel worden beschouwd (al zijn ze daarmee nog lang niet verdwenen). Eén standpunt is te weinig om de wereld te begrijpen.

 
Van in de handen naar denken en kijken Van in de handen naar denken en kijken
 

Eén beeld bestaat uit een paar handen waarop de producten liggen uitgestald die al ver voor 1602 Europeanen naar de Oost lokten en in het bijzonder naar de legendarische Specerijen-Eilanden: kaneel uit Ceylon, peper uit Voor-Indië, kruidnagelen en muskaatnoten van de Molukken. Maleise, Chinese en Arabische zeevaarders, Spanjaarden en Portugezen gingen de Hollanders voor, op zoek naar de 7448 eilanden die volgens de Chinese zegslieden van Marco Polo in die verre oceaan te vinden waren.

De handen liggen aan de oostkant van de cirkel rond de twee beelden. Het hoofd aan de westkant besteedt geen aandacht aan de handen vol specerijen. Het hoofd staart in de verte en luistert aan een schelp. Het vertoont niet de trekken van een bepaald ras; het is een 'algemeen mensenhoofd', en vooral: het staat voor 'kijken, luisteren en denken'. In een schelp hoor je volgens de overlevering het ruisen van de zee, de stem van de verte. Niet het klinken van de munt die in de geldkist valt.

Twee eeuwen na de oprichting van de VOC legde Wilhelm von Humboldt de grondslag voor de vergelijkende taalwetenschap met een studie Über die Kawi-Sprache auf der Insel Java. Niet dat hebzucht en gewin toen geen rol meer speelden (dat doen ze nog steeds), maar de schepen die inlanders plunderden en waarop zeelui zich afbeulden brachten op de lange duur ook een andere kijk op de mensheid. Aan de andere kant van de wereld bleken ook mensen te wonen wier verhalen het beluisteren waard waren. Wat begon als een blinde jacht op goud of specerijen leidde uiteindelijk tot waardering voor de spirituele 'producten' uit verre streken en tot verdieping in de voorstellingswereld erachter. Een besef groeide dat de ene helft van de mensheid er niet is om te worden uitgebuit, of een 'beschaving' opgedrongen te krijgen, door de andere.

De handen herinneren aan een verleden dat zich niet laat uitwissen. Het luisterende en kijkende hoofd spreekt van hoop dat we door schade en schande wijzer zijn geworden. Dit beeld gaat over herinnering, maar nog méér over toekomst.